Ik heb mijn God

Ik heb mijn God

Psalm 16:2 ‘Ik heb geen goed buiten U’

Als kind had ik een houten paard. Maar ik heb het niet meer. Ik had een fietsje, een zogenaamde doortrapper. Ik heb het niet meer. Zo kan ik doorgaan, Zo kun u doorgaan. U had een baan, maar nu niet meer. U had gezondheid, maar u hebt het nu niet meer. U had een man, een vrouw, maar u hebt hem, u hebt haar niet meer. Wat een verschil te moeten zeggen: ‘Ik heb.’-‘Ik had’. Ach, over dat houten paardje kom ik wel heen, en dat doortrappertje was ook maar levensgevaarlijk. Je belandde er bij tijden mee in ‘de wieke’. Maar hoe anders, hoe veel schrijnender wordt het als je je huis gaat missen, je werk, je gezondheid of nog erger, je kind, je geliefde.

Voorbij

Het doet me denken aan een boek van Louis Couperus ‘Van oude mensen en de dingen die voorbij gingen’. Er zit de geur aan van het ouderwetse, van nostalgie of melancholie. Als jongere kun je je hoofd er over schudden. Alsof het jou niet treft. Maar wil je ook eens even op een rijtje zetten wat je had en nu niet meer hebt? Natuurlijk, die ouwe computer die crashte of die ouwe mobiel zonder mogelijkheden van app’s, die kun je missen als kiespijn. Maar dierbare dingen, dierbare mensen die je had en nu niet meer. Een opa of oma, soms al je vader of moeder, soms al een vriend of iemand uit de buurt. Ik bedoel maar: Ook voor jou gaan dingen voorbij. Je had, maar je hebt ze niet meer.

Betrekkelijk

Wanneer je zo ietwat met een schuin oog eens naar het leven, je eigen leven, durft te kijken, dan is alles wat je hebt betrekkelijk. Met een moeilijk woord: relatief. We beseffen dat vandaag te weinig. De wereld draait door alsof het nooit eindigt. Het leven geleefd alsof het nooit ophoudt. De geliefde gegrepen en omhelst alsof je elkaar nooit meer ontvalt. Natuurlijk mag je vitaal en vrolijk in het leven staan, maar we moeten niet overdrijven. We moeten er ons niet aan vergrijpen. Dan wordt bezit een afgod, een geliefde je idool.

God

De dichter van Psalm 16 zegt: ‘Ik heb tot mijn Here gezegd: Gij zijt mijn Here, ik heb geen goed buiten U.’Ik wil aannemen dat David wel veel meer bezat. In het boek Samuël wordt keurig geturfd hoeveel ambtenaren en helden hij wel niet had en nog wel meer. En toch..toch eindigt David, bij al zijn optellen wat hij heeft, onder de streep met: ‘Ik heb geen goed buiten U.’ Of in vs. 5 “O Here, mijn erfdeel en beker.’ In de NBV vertaald met ‘Heer, mijn enig bezit!’ Het is voor ons van belang tot dat inzicht te komen, dat te kennen. Dat kan op twee manieren. Doordat je vroeg of laat er tegen aan dendert dat je van alles moet zeggen ‘Ik had het, maar nu heb ik het/hem/haar niet meer’. Uiteindelijk ben ik een mens met lege handen. Maar per saldo brengt dat een mens niet tot inkeer. Dan zouden vele begrafenissen toch moeten uitlopen op bekeringen, wat niet het geval is. Meer is nodig: Ontdekkende genade, werking van de Geest, schellen van de ogen. Ik had...maar ook, ik heb mijn God dat is genoeg, ik wens mij niets daarneven.

Gez 466:3
Ik heb mijn God, dat is genoeg,
ik wens mij niets daarneven.
Veel meer dan 't meeste, dat ik vroeg,
is mij in Hem gegeven:
mijn hoogste goed, mijn troost in smart,
het enig rustpunt van mijn hart,
mijn eeuwig licht en leven.

Stoffer Otten

Ik heb mijn God

Naar het overzicht